Wandelen is vrijheid.
Tenminste, overdag.
Zolang je in beweging bent, het weer een beetje meewerkt en je voeten zich stilhouden, is alles mooi.
Maar dan komt het moment dat je stopt.
Dat je je schoenen uittrekt.
Dat je lichaam een ondergrond zoekt die níet ritselt, lekt of schuin afloopt.
En precies daar begint de uitdaging die ‘overnachten’ heet.
Want laat me meteen iets bekennen:
ik ben geen tentmens.
Ik wil geen haringen hameren in de regen.
Ik wil geen tentdoek spannen in het donker.
Geen nacht doorbrengen op een matje dat evenveel steun biedt als een pannenkoek.
Geen nachtelijke jungletocht naar een wc met een rol wc-papier onder mijn arm.
Ik wil een bed.
Een matras.
Een deur die dicht kan.
En als het even kan: een douche die méér doet dan spetteren.
Natuurlijk, ik heb respect voor de puristen.
Die met 12 kilo bepakking inclusief lichtgewicht tent, titanium pannetje en dehydrated couscous op pad gaan.
Die ’s avonds tevreden op hun thermoskussen zitten te koken op iets wat verdacht veel lijkt op een gasaansteker.
Maar ik? Ik geloof in luxe. Of op z’n minst: acceptabele omstandigheden.
Tsja, en ook hierin zijn er weer vele (on)mogelijkheden
De symfonie van gesnurk en gedeelde lucht die slaapzaal heet
Goedkoop is het wel, zo’n albergue of hostel.
Voor een tientje krijg je een bed, een douche en, als je geluk hebt een stopcontact.
De nadelen?
Laten we zeggen: je leert veel over andere mensen.
Hoe luid ze kunnen snurken.
Hoe schaamteloos andere lichaamsgeluiden geproduceerd worden.
Hoe lang iemand kan praten over blaren.
Hoe iemand enthousiast een dozijn krentenbollen verorbert in het donker.
Privacy? Vergeet het.
Het enige privé is je eigen gedachten.
En zelfs die worden soms overstemd door een medewandelaar die z’n droom hardop beleeft.
Maar…je ontmoet er de meest bijzondere mensen.
Pelgrims, wandelaars, filosofen, mensen met een verhaal.
En als het klikt, vergeet je de stank van natte sokken, vergeet je het gesnurk en gesmak en vind je troost in het gedeelde afzien.
Soms wordt het zelfs gezellig.
Heel gezellig.
Een gitaar, een gedeelde fles wijn, verhalen van over de hele wereld.
Lachen om elkaars blaren, tips uitwisselen, samen plannen maken voor de volgende dag.
In een albergue ben je nooit echt alleen.
Of je nou wilt of niet.
Het pension, waar je je weer mens voelt
Dan het kleine hotelletje of pension.
Soms eenvoudig, soms verrassend chic.
Een kamer met een eigen badkamer is als een hemelbed op aarde.
Je kunt je spullen laten exploderen zonder dat iemand er commentaar op geeft.
Je kunt drie keer douchen. Na elkaar. Gewoon omdat het kan.
Maar het is ook een beetje… eenzaam.
Je sluit de deur en daarmee de wereld even buiten.
Soms heerlijk.
Soms stil.
Soms nét iets te stil.
Waar in de slaapzaal de gesprekken als vanzelf ontstaan, moet je hier zélf op zoek naar contact.
En laten we eerlijk zijn: in je eentje op een hotelkamer eten, voelt toch wat anders dan aan een lange tafel met tien pelgrims en één grote pan paella.
Nadeel?
De prijs.
Die is net iets minder inspirerend.
En soms betaal je het driedubbele om wakker te liggen op een matras uit het jaar dat polyester werd uitgevonden.
De gulden middenweg: de privé kamer in een hostel
Voor de twijfelaar.
Voor de pelgrim die houdt van de sfeer, maar ook z’n nachtrust waardeert.
Je betaalt iets meer dan voor een slaapzaal,
maar krijgt rust, stilte, en geen kamergenoten die om 5.00 uur hun plastic zakjes organiseren.
Het blijft wel basic.
Dunne muren, douche met karakter en meestal ook warm water.
Maar: je kunt in je ondergoed rondlopen. En dat is al veel waard.
Wel hoor je ’s nachts áltijd iets.
Een piepende deur, een kuch in de gang, een onbekend geritsel aan de overkant van de muur.
En dan begint het raden.
Een rits van een slaapzak?
Een innige ontmoeting?
Een middernachtelijke zoektocht naar paracetamol?
Je hoort het. Je weet het niet.
En je bent de enige in de kamer die het hoort.
En dan… de geheime droom: het luxe hotel
Soms, heel soms, trakteer ik mezelf.
Een bed met lakens van katoen die hoger scoren dan mijn eindexamen natuurkunde.
Een bad. Met schuim. En gegarandeerd warm water.
Ontbijt dat niet bestaat uit afgemeten porties jam.
Een keuken die heerlijke avondmaaltijden produceert.
Maar wie daar zit, weet vaak niet wat een pelgrim is.
Je bent ineens weer ‘gast’.
Geen wandelaar. Geen verhaal. Geen blaren-confrère.
Je bent kamernummer 308.
Met ontbijt tussen 7 en 10.
Een zwijgende ober en achtergrondmuziek uit de jaren ’90.
Er is comfort.
Maar ook afstand.
Je deelt niets, behalve de lift.
Elke overnachtingsplek heeft z’n charme.
En z’n valkuilen.
Ik heb geslapen naast een snurker die klonk als een motorzaag op volle toeren.
Ik heb gedoucht met een tuinslang in een koude kelder.
Ik heb ontbeten met croissant die alleen nog herinnerde hoe knapperigheid ooit voelde.
Maar ik heb ook gehuild van geluk in een bed met écht beddengoed.
En me intens verbonden gevoeld met wildvreemden die net zo moe waren als ik.
Want uiteindelijk is het niet het bed dat telt.
Maar wat je erin meebrengt.
Wandeldagen zijn als goede verhalen:
ze mogen eindigen met een lach, een zucht, en het verlangen naar nog één hoofdstuk.
Maar een tent met een matje?
Nee, dat is nog steeds geen overnachtingsplek voor mij.
Een matje is gewoon geen matras.
